Broer,H.
Over Hendrik Broer: (1886-1968)
De kunstschilder Hendrik Broer kreeg pas laat erkenning. Broer leefde met zijn vrouw Guurtje, een teruggetrokken bestaan in Giethoorn. In een kranteninterview uit 1959 zegt Hendrik: “De mensen hebben geen tijd meer. Ze willen niet lang naar een schilderij kijken. Het moet in een keer op hen afkomen. In felle harde kleuren het liefst. En daar houd ik niet van. Ik behandel de natuur zacht en voorzichtig.”
Als kind leed Broer al aan een wervelaandoening. En hij was nauwelijks twintig toen hij met de longziekte pleuritis in het Sophia Ziekenhuis van Zwolle terechtkwam. De zware arbeid die hij op jonge leeftijd al verrichtte was funest voor zijn toch al zwakke gezondheid. “Rietsnijden, Turfsteken. ’s Winters stond je tot je knieën in ijswater, soms sneed je met je kapmes in je laars en dan strompelde je met drijfnatte voeten verder…” zei hij hierover. In het ziekenhuis ontdekte Broer dat zijn tekentalent andere mensen kon boeien. Hij kwam in contact met mevrouw van Bevervoorde-Van Rappard uit Dalfsen. Via deze dame kreeg hij les in Amsterdam, in het atelier van Martin Monnikendam. Enkele maanden hield hij het hier uit. Na zijn huwelijk met Guurtje Jannes, ging het echtpaar met dezelfde mevrouw van Bevervoorde mee naar Parijs. “Ik was liever in Amsterdam gebleven”, zegt Broer in het interview. “Maar mevrouw dacht dat ik in Parijs wel iets kon bereiken. Iedere dag zwierf ik rond door musea en armoedebuurten.” Na een half jaar keerde Broer alweer terug naar de Nederlandse hoofdstad. “Ik hield op met schilderen”, zei Broer destijds. “Schilderen was gekkenwerk vond mijn vader altijd. Ik bedacht, wel te laat, dat hij gelijk had.”
De kunstschilder had het gevoel dat hij als een rariteit bekeken werd. Terug in Nederland besloten de kunstenaar en zijn vrouw zelf iets te ondernemen. Hun kippenfarm in Maarn werd winstgevend. Over het ‘hoenderpark’ zegt het echtpaar: “We hadden de schoonste eieren. Meneer Schimmel uit Barneveld gaf er drie tot vier cent boven marktwaarde voor.” Tot de kuikenziekte kwam, en ook nog de Duitsers. “Ze gooiden de grenzen dicht en toen ging het niet meer. Had je eieren van twee cent; van twee cent kan je geen eieren maken.”
Jaren later door toedoen van kunstenaar en vriend Jelle Troelstra, zoon van Pieter Jelles, begon Broer weer te schilderen.
Bij de opening van de overzichtsexpositie in Zwolle in 1959 sprak Troelstra mooie woorden. Hij noemde Broer ‘een regionaal schilder in de goede betekenis van het woord: gevoelig en bedachtzaam. Hij zeeft het geziene en bindt het licht, de sfeer en de ruimte door zijn scheppende verbeeldingskracht.” Broer had de smaak weer te pakken. ”Na de oorlog ben ik pas echt begonnen. Leven kon ik er niet van. Ik was blij dat ik eindelijk een pensioentje kreeg. De mensen moesten mijn werk niet… Maar ik begon te leren wat schilderen, echt schilderen was.” Broer wordt geprezen om zijn ingetogen robuuste werk. “Hij had aandacht voor kleine dingen. Je moet moeite doen voor zijn werk. Zijn beste werken zijn vrij klein en donker. Broer was geen held op het grote vlak.” Hillie Bakker uit Giethoorn is medewerkster bij het Olde Maat Uus. Dit streekmuseum bezit een schilderij en de transportfiets van de kunstenaar. “Een eenvoudig model met de bagagedrager voorop. Hier kon hij schildersspullen kwijt.”
In de huiskamer van Bakker hangen prominent twee werken van Broer. “Mijn man kocht ze in de jaren zestig. Dit is een van zijn laatste schilderijen”, wijst ze op een stilleven uit 1966. “Ik weet niet meer wat we ervoor betaald hebben. Zeker een paar honderd gulden. Maar toen we op een zondagmorgen bij hem kwamen en zeiden dat we graag een werk van hem wilden kopen, maakte Broer nauwelijks aanstalten. Hij hoefde niet zo nodig iets te verkopen. Of misschien dacht hij: zo’n jong stel heeft weinig geld.” Hendrik Broer bleef zijn werkzame leven in de schaduw staan van zijn dorpsgenoot en collega Piet Zwiers. “Zwiers was een extraverte man die zijn werk goed kon verkopen. Broer was het tegendeel. Ze stierven vlak na elkaar maar Broer was wel bijna twintig jaar ouder.”
Na de Zwolse overzichtsexpositie in 1959 verkocht Broer een deel van zijn werk aan het Provinciaal Museum Overijssel, nu Stedelijk Museum Zwolle. “Ik dacht als ik doodga, dan wordt de boel verkocht want mijn broers zijn dood en ik heb geen kinderen.”
